Op bezoek in een datacenter
Waar zijn onze gegevens?
07 december 2011 |
We werken en leven steeds vaker in de cloud. Onze gegevens staan daarbij op 'een' server ergens in 'een' datacenter. We vragen ons af hoe zo'n modern clouddatacenter eruitziet en welke technologieën van belang zijn.
Het zal niemand ontgaan zijn: softwaretoepassingen verhuizen steeds meer naar de cloud. Een applicatie draait dus niet langer op het toestel van de eindgebruiker, maar wel in het datacenter op servers van de ontwikkelaar.
Door de opkomst van de cloud rijzen nieuwe en grotere datacenters als paddenstoelen uit de grond. Slechts een beperkt aantal partijen ziet het heel groots, met datacenters van telkens duizenden servers waarmee ze eigen clouddiensten kunnen aanbieden.
De verdienste van die grote jongens is dat hun aandacht voor energie-efficiënte datacenters ook doorsijpelt naar de markt. Zo verbruiken de datacenters van Google minder dan één procent van het verbruik van alle datacenters wereldwijd. Alleen is Google een publieke cloud, en dat is hooguit interessant voor thuisgebruikers en kleinere bedrijven die niet te veel willen betalen.
Een eigen server en opslagapparaten in een datacenter van Google of Amazon plaatsen is echter niet mogelijk. Voor middelgrote en grotere bedrijven is dat evenwel belangrijk. Zij staan dan ook meer open voor een privécloud, al dan niet gecombineerd met een publieke cloud voor de minder gevoelige gegevens. Virtualisatie speelt daarin een belangrijke rol.
Waar zijn mijn data?
Virtualisatie brengt als technologie vooral meer flexibiliteit in een IT-infrastructuur. Het betekent dat één machine wordt opgesplitst in vele, schijnbaar onafhankelijk werkende systemen. Soft- en hardware zijn dankzij virtualisatie zo goed als van elkaar losgemaakt.
Dat maakt wel dat je in een publieke cloud nooit weet waar je data zich precies bevinden: die kunnen iedere dag opnieuw de hele wereld rondgaan. Onder andere bij Google is dat het geval. Deze aanpak heeft zijn voor- en nadelen.
Vooral bedrijven zijn er niet erg happig op dat hun gevoelige informatie – denk aan de boekhouding – ergens buiten de eigen landsgrenzen een plaatsje krijgt. Bovendien vragen bedrijven naar een persoonlijke behandeling en maatwerk, wat ze vaak niet vinden bij diensten als Google.
En dus komen ze bij lokale partijen terecht met een of meerdere datacenters in eigen land. Een bedrijf als Google heeft natuurlijk ook een andere opzet dan een lokaal datacenter. Google kan bovendien veel besparen op energie, omdat ze minder aandacht besteden aan redundantie. Als er iets hapert in een van hun datacenters kunnen ze daar zonder problemen ingrijpen. Er zijn toch nog 39 andere om het over te nemen.
Een ander verschil is dat Google en Facebook de hele keten onder controle hebben. Ze beheersen zowel het datacenter als de hardware die erin komt en de toepassingen die erop draaien.